Staat kan niet zomaar loonoffer eisen in ruil voor staatssteun KLM

Roy Poelstra is promovendus arbeidsrecht


Bron: Financieele Dagblad


Een aantal bij KLM betrokken vakbonden heeft begin deze maand een klacht ingediend bij de Europese Commissie. Zij maken bezwaar tegen de arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden die zijn verbonden aan het steunpakket van de Nederlandse Staat aan KLM.

Illustratie: Hein de Kort voor Het Financieele Dagblad

Een van de voorwaarden is een loonoffer als tegenprestatie voor de steunverlening. De KLM-bonden vinden de door de Staat bedongen voorwaarden een inbreuk maken op het fundamentele recht op collectief onderhandelen, en ik deel die visie.


In Nederland ligt de verantwoordelijkheid voor de collectieve arbeidsvoorwaardenvorming bij de werkgevers(organisaties) en vakbonden. De afspraken die zij op collectief niveau maken worden neergelegd in cao’s. Cao’s zijn civielrechtelijke overeenkomsten die betrekking hebben op afspraken over arbeidsvoorwaarden. Hierbij is de overheid geen partij.


Deze specifieke rol van de sociale partners in de arbeidsvoorwaardenontwikkeling vloeit voort uit het fundamentele recht op collectief onderhandelen.


'Overheden mogen zich niet bemoeien met de inhoud en de afspraken die in cao’s worden vastgelegd’

Dit recht wordt gewaarborgd door een aantal internationale verdragen, zoals enkele conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Deze verdragen waarborgen het recht voor de sociale partners zich te organiseren en dat zij vrijelijk, zonder overheidsbemoeienis, afspraken kunnen maken over collectieve arbeidsvoorwaarden. Nederland is gebonden aan deze verdragen.


Bovenstaande blijkt niet direct uit de verdragsteksten, maar uit rechtspraak van de twee organen die toezicht houden op de naleving van de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie: het Comité van Deskundigen en het Comité voor vrijheid van vereniging.


Uit deze rechtspraak volgt de norm dat overheden zich niet mogen bemoeien met de inhoud en afspraken die in cao’s worden vastgelegd. De overheid kan met de sociale partners wel het gesprek aangaan en hen aansporen de door de Staat gewenste afspraken neer te leggen in cao’s. Overheden mogen hierbij geen dwang uitoefen en de uiteindelijke inhoud van de cao moet altijd bij de sociale partners liggen. Overheidsbemoeienis met de arbeidsvoorwaardenvorming binnen een private onderneming is niet toegestaan.


Als we kijken naar de KLM-situatie dan kunnen de aan het steunpakket verbonden arbeidsvoorwaardelijke criteria worden gelijkgesteld aan overheidsbemoeienis. Aanvaarding van het steunpakket, en daarmee de aanvaarding van de voorwaarde te snijden in de lonen binnen het bedrijf, is immers noodzakelijk om het faillissement van het bedrijf af te wenden.

Feitelijk wordt hiermee door de Staat dwingend ingegrepen in de arbeidsvoorwaardelijke afspraken die KLM met de vakbonden is overeengekomen. De voorwaarden van de Staat bieden de KLM-bonden namelijk geen ruimte te onderhandelen over andersluidende kostenbesparende arbeidsvoorwaardelijke afspraken. Bovendien heeft de Staat hierover met de vakbonden geen overleg gepleegd.


De Staat dicteert hier dus welke afspraken moeten worden vastgesteld in reeds gesloten cao’s. Dergelijke overheidsbemoeienis met de arbeidsvoorwaardenvorming van een private onderneming is in strijd met het fundamentele recht op collectief onderhandelen.

Kan de Staat zich eventueel via een andere weg bemoeien met de arbeidsvoorwaarden in een private onderneming? Ja dat kan, mits de overheidsbemoeienis berust op een wettelijke grondslag. Het recht op collectief onderhandelen is immers een fundamenteel recht, zodat de Staat een rechtsgrond nodig heeft om in te kunnen grijpen in vrije collectieve onderhandelingen tussen werknemers- en werkgeversorganisaties.



Uitzonderlijke situaties

Deze wettelijke grondslag is vastgelegd in de Wet op de loonvorming en stelt dat overheidsbemoeienis op het terrein van arbeidsvoorwaardenvorming slechts in uitzonderlijke situaties is toegestaan. Bij deze uitzonderlijke situaties moet sprake zijn van zich plotseling voordoende noodsituaties van de nationale economie, veroorzaakt door een of meer schoksgewijs optredende externe factoren.

Is dat het geval, dan heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid om, na overleg met de Stichting van de Arbeid, een algemene loonmaatregel voor de (cao-)lonen en andere op geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden af te kondigen. Deze maatregel geldt voor maximaal zes maanden en kan met zes maanden worden verlengd.



Voor iedereen

De noodsituatie moet van dien aard zijn dat het noodzakelijk is het algemene, landelijke loonpeil aan te passen, om daarmee de concurrentiepositie van de Nederlandse economie te kunnen herstellen. Deze loonmaatregel draagt dus een algemeen karakter en dient te gelden voor alle arbeidsverhoudingen in Nederland.


Het is daarom niet mogelijk zo’n loonmaatregel af te kondigen voor een specifiek bedrijf, zoals KLM. De Wet op de loonvorming biedt dus niet de juridische grondslag voor de Staat om in te grijpen in de arbeidsvoorwaarden bij KLM.


Of en onder welke voorwaarden een loonoffer kan worden geëist van het KLM-personeel, is een onderwerp voor onderhandeling tussen KLM en de bij het bedrijf betrokken vakbonden.

Wel kan de Staat, in zijn hoedanigheid van (groot)aandeelhouder van de luchtvaartmaatschappij, gebruikmaken van het agenderingsrecht en een onderwerp op de agenda zetten van de algemene aandeelhoudersvergadering. Via deze route kan het kabinet bij het KLM-bestuur de wens uitspreken dat het bestuur met de vakbonden in overleg moet over verlaging van de salarissen.


Roy Poelstra is promovendus arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam.